GESCHIEDENIS VAN HET LIBERALISME

De VVD is een partij welke is gegrondvest op Liberale beginselen. Deze beginselen verschillen wezenlijk van bijvoorbeeld de Christen-democratie of de Sociaal-democratie. Voor elke partij is het essentieel de uitgangspunten in het hoofd te houden, omdat de te ontwikkelen standpunten logisch hiermee in lijn moeten liggen.

Het Liberalisme verwijst naar een politieke stroming die de idealen van de Franse Revolutie verdedigt, te weten vrijheid en gelijkheid. In het liberalisme staat het individu centraal. Alle individuen in een samenleving zouden gelijke rechten en vrijheden moeten hebben. Om te voorkomen dat deze rechten en  vrijheden van individuen door de overheid aangetast worden, zou geen enkel staatsorgaan onbeperkte macht mogen hebben. Daarom zou een  machtenscheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht moeten worden doorgevoerd. Naast culturele en geestelijke vrijheid legt het liberalisme de nadruk op economische vrijheid.

Hoewel diverse denkers uit de achttiende eeuw grote invloed hebben gehad op het liberalisme, werd de term “liberalen” pas begin negentiende eeuw voor het eerst gebruikt. Als gesproken wordt over hét liberalisme, duidt men doorgaans de ideologische traditie van een aantal denkers aan die een geheel van theoretische en normatieve uitgangspunten gemeenschappelijk heeft. Dit moet echter geenszins de indruk wekken dat er zoiets als “één blauwdruk van het liberalisme” bestaat. Wel hebben al deze denkers een aantal gemeenschappelijke uitgangspunten, die op verschillende manieren geïnterpreteerd en uitgewerkt worden. Er bestaan dan ook wel degelijk meningsverschillen tussen liberale filosofen en mensen die zich als liberaal beschouwen.

Een aantal politieke filosofen wordt tot de grondleggers van het liberalisme gerekend: Locke, Montesquieu, Rousseau, Smith, Kant, Bentham, Mill, Rawls en Nozick.

Locke (1632-1704): Elk gezag berust op een overeenkomst (maatschappelijk verdrag) tussen vrije mensen. Volgens deze verdragstheorie hebben burgers recht op verzet als de monarch hun onvervreemdbare individuele rechten naar willekeur schendt.

Montesquieu (1689-1755): Volgens de driemachtenleer zou de individuele rechtszekerheid en vrijheid gegarandeerd moeten worden door een in de grondwet vastgelegde machtenscheiding.

Rousseau (1712-1790): Als typische Verlichtingsfilosoof ging hij uit van de maakbaarheid van de samenleving. Deze visie ligt ten grondslag aan de zowel door liberalen als socialisten gedragen assumptie van geestelijke en materiele vooruitgang.

Smith (1723-1790): Smith heeft vooral gepleit voor economische vrijheid. Hij verdedigde het marktmechanisme, waar winst de drijfveer voor economisch handelen is. Volgens Smith ontstaat in een vrijmarkteconomie een optimale en efficiënte afstemming tussen vraag en aanbod. Smith noemde deze  afstemming “de onzichtbare hand” van het marktmechanisme. Door de werking van dit mechanisme zouden overheid of gilden zich niet mogen bemoeien met prijzen, lonen, geldkoersen of arbeidsomstandigheden. Een kapitalistisch stelsel zou zowel efficiënter als welvarender zijn dan het gildenstelsel of een door de staat gereguleerde economie. De taken van de staat waren volgens hem: het tegengaan van belemmerende samenwerking (kartels en vakbonden),  bescherming van eigendom en veiligheid, en rechtspraak.

Kant (1724-1804): Voor Kant was niet het gevolg van ons handelen belangrijk. Het gaat erom dat je een goede bedoeling hebt. Een handeling is pas dan ethisch goed als zij geschiedt uit plichtsbesef. Daarmee bedoelt Kant dat jouw instelling behoort te zijn bewust goed te doen. Kant onderscheidt twee vormen van handelen; handelen uit neiging en handelen uit plichtsbesef. Kant vond respect voor je medemens enorm belangrijk. De ander is ook een mens met behoeften en wensen. We moeten de ander de ruimte geven om zijn doelen na te streven.

Bentham (1748-1832): Mensen zouden elkaar zoveel mogelijk vrij moeten laten om hun geluk te ontdekken: niemand zou immers kunnen weten wat een ander gelukkig maakt. Wetten zouden moeten bevorderen dat individuen zoveel mogelijk rekening houden met het welzijn van anderen.

Mill (1806-1873): Mill wordt als liberale denker beschouwd door zijn nadruk op individuele vrijheidsrechten. Vanuit deze rechten en vrijheden verdedigde  Mill ten eerste het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen, hoewel hoger opgeleiden meer dan één stem zouden moeten krijgen. Ten tweede  verdedigde Mill de vrijheid van meningsuiting.

Rawls (1921- ) en Nozick (1938 -): Zij kiezen principieel voor de staatsbescherming van onvervreemdbare persoonlijke en politieke vrijheden. Daarnaast besteedt Rawls aandacht aan het mogelijke positieve effect van een ongelijke inkomensverdeling. Rawls geeft met zijn rechtvaardigheidstheorie een filosofische handreiking aan de meeste huidige liberalen, die een gedeeltelijke inkomensherverdeling door de staat rechtsvaardig achten. Volgens Nozick zou een staat daarentegen een nachtwakersstaat moeten zijn. Inkomensherverdeling en belastingheffing zouden volgens hem een inbreuk vormen op het individuele eigendomsrecht. Hoewel Rawls’ rechtvaardigheidstheorie meer aanhangers heeft dan die van Nozick, zijn beide waarschijnlijk de meest invloedrijke liberale politieke filosofen van de twintigste eeuw.

Het gemeenschappelijke uitgangspunt van bovenstaande filosofen en economen en daarmee de kern van het liberalisme wordt gevormd door de nadruk op individuele rechten en vrijheden (recht op leven, vrijheid en eigendom).

Politicoloog Lucardie merkt op dat de theorieën van Locke (onvervreemdbare individuele rechten), Mostesquieu (machtenscheiding) en Smith  vrijemarkteconomie en minimale staat) de kern vormen van wat nu het klassieke liberalisme wordt genoemd.

Citaat Frits Bolkestein uit
Humanist extra, april 1994 (fragment interview):

Liberalisme is een emancipatiefilosofie of –ideologie die streeft naar de vrijheid van de individuele mens. In eerste aanleg denken liberalen dus niet in termen van het collectief, van de kerk of het gezin. Bij ons is de hoogste waarde de vrijheid van elk individu, met een streep onder elk. En voor liberalen is de overheid een scheidsrechter die de spelregels, de wet, moet handhaven.

De liberaal is dan ook een voorstander, zo benadrukt hij, van een kleine maar krachtige overheid die zich zoveel mogelijk onthoudt van inmenging in het (sociaal-economische) leven van de burgers. Logisch gevolg van deze visie is dat de huidige overheid drastisch zou moeten inkrimpen. Maar behoort de staat zich dan niet sterk te maken voor de zwakkeren in de samenleving? Frits Bolkesteijn: “In protestants-christelijke kring wordt vaak gezegd dat de overheid het schild van de zwakkeren moet zijn. Dat is de overheid ook. Na de oorlog is in Nederland een uitgebreid stelsel van sociale zekerheden ingevoerd. Naar mijn mening té omvangrijk. Maar dat neemt niet weg dat de overheid mensen die niet voor zichzelf kunnen opkomen, moet beschermen.

Het liberalisme is een open filosofie die volgens Frits Bolkesteijn, haaks staat op ‘gesloten wereldvisies’ als bijvoorbeeld het communisme. Een ander aspect is dat er mogelijkheden gecreëerd moeten worden die de mens in staat stellen om zijn doel te bereiken. Bijvoorbeeld de inkomensverhoudingen. Wij vinden dat de wijze waarop iemand zijn geld verdient – zolang dat correct en dus wettig gebeurd – belangrijker dan wat hij verdient. Het gaat om het proces en niet om het resultaat. Dat wil niet zeggen dat de uiteindelijke inkomensverhoudingen ons koud zouden laten. Want het beginsel van inkomstenbelasting wordt ook door liberalen aanvaard. Maar bij ons ligt de nadruk dus op het proces terwijl bij de socialisten de nadruk eerder ligt op het resultaat.

De calculerende burger streeft net als ieder ander naar geluk. Een liberaal principe, dat ook als 'the pursuit of happiness' is vastgelegd in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Frits Bolkesteijn onderschrijft dit principe. Maar onderstreept tegelijkertijd dat een overheid niet als doel moet hebben om bij te willen dragen aan dat geluk. “De staat moet zich in de eerste plaats bezighouden met het bestrijden van het kwaad. Pas in tweede of derde instantie met het bevorderen van het goede."