De liberale stroming heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de Nederlandse geschiedenis. Nederland kent dan ook een lange en rijke liberale geschiedenis. In 1814 voorzag de liberaal Van Hogendorp ons land van de eerste Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden, nadat in 1813 de Franse troepen ons land hadden verlaten. Ook de Herziene Grondwet van 1848 is geschreven door de liberaal Thorbecke, die daarmee de parlementaire democratie inrichtte op de manier die wij nu nog kennen. En aan de Liberalen danken wij het Algemeen Kiesrecht voor mannen èn vrouwen.
De Nederlandse samenleving was tot in de jaren zestig verzuild. Conflicten tussen de zuilen zijn volgens Lijpharts pacificatietheorie voorkomen, doordat de politieke eliten van de zuilen – in tegenstelling tot de bases – wél met elkaar samenwerkten. De Pacificatie van 1917 is daar een voorbeeld van. Van alle zuilen was de liberale zuil het minst sterk georganiseerd. Doordat de katholieken, de protestanten en de sociaal-democraten elk een zuil van op de eigen levensbeschouwing gerichte organisatie vormden, bleven de liberalen in diverse organisaties alleen achter. De liberale zuil lijkt om (ten minste) twee redenen meer een politicologische constructie dan een historisch feit. Ten eerste stelden de liberalen hun organisaties open voor alle gezindten en levensbeschouwingen. Hoewel een aantal liberale organisaties te onderscheiden kan worden (zoals de liberale werkgeversorganisatie VNW, middenstands- en boerenorganisaties, en de AVRO), noemden de meeste organisaties zich niet liberaal, maar ‘nationaal’ of ‘algemeen’. Ten tweede was een coherente liberale zuil onmogelijk door de verdeeldheid tussen de liberalen.
De sociaal-democratie legt de nadruk op gelijkheid en solidariteit, niet op vrijheid en gelijkwaardigheid. Solidariteit zou onder meer tot uitdrukking moeten komen in een bepaalde mate van economische gelijkheid tussen individuen in een maatschappij, daarom hebben zij kritiek op het vrije-markt mechanisme. Aan de onderkant van de maatschappij moeten de behoeftigen worden geholpen, los van de vraag hoe zij daar terecht zijn gekomen. Eenieder die meer verdient dat degenen die het minst hebben, worden geacht daaraan bij te dragen. Volgens de sociaal-democratie zijn ndividuele kwaliteiten en opleiding toevalligheden, en mogen zij niet leiden tot grote inkomensverschillen.
Politicoloog Lipschits maakt een onderscheid tussen twee liberale politieke stromingen in Nederland: de progressieve vrijzinnig-democratische stroming en de gematigde liberale stroming. Het huidige D66 kan beschouwd worden als een partij die past binnen de progressief-liberale stroming. De huidige VVD kan worden beschouwd als een partij die past binnen de gematigd-liberale stroming. Alhoewel het onderscheid tussen D66 en de VVD kleiner lijkt te worden in deze tijd.
Hoewel de conservatieve, klassiek-liberale stroming grotendeels is verdwenen, spelen klassiek-liberale opvattingen over staatsonthouding een rol in de huidige liberale stroming, met name in de gematigd-liberale stroming. Klassiek-liberale opvattingen over de nadelen en problemen van staatsingrijpen en over de voordelen van de markt in termen van efficiency en welvaart, zijn tot op zekere hoogte geaccepteerd door andere politieke stromingen en partijen in Nederland. Andere stromingen wijzen doorgaans sterker in verschillende mate op de nadelen van een vrije markt (economische ongelijkheden, het niet tot stand komen van bepaalde collectieve goederen). Klassiek-liberale opvattingen over niet-economische vraagstukken, zoals individuele rechten en machtenscheiding, zijn algemeen aanvaard in de Nederlandse politiek.
De oprichting van de VVD in 1948 was een gevolg van de veranderende politieke opvattingen binnen de liberale stroming. In de jaren vijftig en zestig na de Tweede Wereldoorlog was de VVD sterk overheidsgericht. In de VVD stond een aantal overheidstaken niet ter discussie: de doelstelling van realisering van volledige werkgelegenheid, macro-economische sturing en de uitbreiding van het stelsel van sociale zekerheid. De toename van de collectieve sector, de stijgende belastingdruk en de groei van de verzorgingsstaat in combinatie met de economische crises van de jaren zeventig leidden tot een hernieuwde afkeer van staatsingrijpen. De VVD legt sindsdien onder meer de nadruk op deregulering en privatisering van de collectieve sector. Bovendien zou het sociale zekerheidsstelsel ingekrompen moeten worden. Deze laatste ontwikkeling ging volgens politicoloog De Beus gepaard met de opkomst van het zogenaamde volksliberalisme, waarin politicus Wiegel een belangrijke rol heeft gespeeld. Het volksliberalisme van de VVD richt zich op de groeiende middenklasse en probeert te profiteren van de deconfessionalisering van de kiezers.